CURRENT exhibition

March

March is all about growth!
While everything in nature naturally changes, humans are forced by the phenomenon of free will to choose whether they like to change themselves in order to transform.
But what is required to become what we want to be? 

The Transformation exhibition does not answer a specific question. 
Instead it shows a vision on the subject itself. 

Definition of 'transformation'
/ˌtransfəˈmeɪʃ(ə)n,ˌtrɑːnsfəˈmeɪʃ(ə)n,ˌtranzfəˈmeɪʃ(ə)n,ˌtrɑːnzfəˈmeɪʃ(ə)n/

'' 1.    a marked change in form, nature, or appearance.
   2.    (mathematics logic) a process by which one figure, expression,  or function is converted into another one of  similar value. ''

The following artists participated: 
- Tamar Berends
- Teun Grondman
- Wietske Joan
- Meike Legêne 
- Hava Ozbas

This exhibition has been currated by Hava Ozbas.
Emailadress: hava.ozbas@rietveldacademie.nl  

Thank you for visiting ! 
 



 

ABOUT bent

We are Beeld & Taal students at the Gerrit Rietveld Academie Amsterdam.
Every month, in this space, one of us curates an exhibition consisting of the works of our group.

Hava Ozbas
Meike Legêne
Tamar Berends
Teun Grondman
Wietske Joan

Sign up for our newsletter and receive our monthly invitation for a new exhibition.

Upcoming curator(s):
Hava Ozbas - March, 2018 
Tamar Berends - April, 2018
Wietske Joan - May, 2018
Meike Legêne - June, 2018 
Teun Grondman - July, 2018 
All ( Augustus - September 2018 )

Contact

OTHER exhibitions

juli

Time is just going on and on, the weather does its own thing, and past events keep running away from us.

The July exhibition is about memory.

juli

Living Within Walls

From May 4th to May 18th, six people from Beeld & Taal, Tamar, Francine, Wietske, Meike, Menno and Teun spent time in the capital of Europe. If you think about today's movements in Europe, or the European Union, you might think about debt, unrest, refugees, borders.
When you want to investigate these things, you must go to the place where they are concentrated and multiplied by twenty. Athens as the capital of modern Europe, and at the same time the originator of western democracy, twenty five hundred years ago.

For two weeks, which is not a long time, we tried to find out what it is like to live within walls: the walls of Fort Europe and those who dare to cross them, physical walls made out of bricks, metaphorical walls which limit your way of expression.

During the first week in Athens, each of us went their own way, exploring walls in a less or more engaged manner, but always with Athens as a centre source of inspiration. In the second week we brought our work together in a gallery in the most vibrant neighbourhood of Athens, Exarcheia. The physical exhibition "Living Within Walls" opened on Saturday May 13th and stayed open for four days, for a mostly Greek audience.

Now we bring the work to a wider audience, by making an exhibition which is not constrained within walls, available to anyone with a working internet connection. The website bent.rietveldacademie.nl is more of a digital space than a website like you would expect. You can wander around, horizontally and vertically, you can get lost and miss things.

The online space will be up for one month, after which bent.rietveldacademie.nl will keep existing, offering new work from Beeld & Taal, every time curated and redisigned by someone from the department. If you subscribe to the newsletter, you will receive an email every time the website is renewed.

Living Within Walls



One night in long bygone times, man awoke and saw himself.

He saw that he was naked under cosmos, homeless in his own body.
All things dissolved before his testing thought, wonder above wonder, horror above horror unfolded in his mind.

It was time to go and slay. He fetched his bow and arrow, a fruit of the marriage of spirit and hand, and went outside beneath the stars. But as the beasts arrived at their waterholes where he expected them of habit, he felt no more the tiger’s bound in his blood, but a great psalm about the brotherhood of suffering between everything alive.

That day he did not return with prey, and when they found him by the next new moon, he was sitting dead by the waterhole.

Whatever happened? A breach in the very unity of life, a biological paradox, an abomination, an absurdity, an exaggeration of disastrous nature. Life had overshot its target, blowing itself apart. A species had been armed too heavily – by spirit made almighty without, but equally a menace to its own well-being.Its weapon was like a sword without hilt or plate, a two-edged blade cleaving everything; but he who is to wield it must grasp the blade and turn the one edge toward himself.

Despite his new eyes, man was still rooted in matter, his soul spun into it and subordinated to its blind laws. And yet he could see matter as a stranger, compare himself to all phenomena, see through and locate his vital processes. He comes to nature as an unbidden guest, in vain extending his arms to beg conciliation with his maker: Nature answers no more, it performed a miracle with man, but later did not know him. He has lost his right of residence in the universe, has eaten from the Tree of Knowledge and been expelled from Paradise. He is mighty in the near world, but curses his might as purchased with his harmony of soul, his innocence, his inner peace in life’s embrace.



Teun Grondman

Flits
Groen licht,
Groen…
Rood –

Flits
Groen licht,
Groen…

De kleuren van het oerwoud
De machines in het ziekenhuis

Op een dag, toen ik van school naar huis fietste, moest ik stoppen voor een groen stoplicht, omdat er op een meter van mijn gezicht een ambulance stond met een sirene die zo hard was, zo
overdreven hard… En toen ik eenmaal begrepen had dat er geen gewonden in de buurt waren, viel mij het besef in dat er ergens anders iemand aan het sterven was.

Ergens, in wit gelakt trappenhuis, was een vrouw op weg geweest naar de parkeergarage om naar haar huis te gaan, toen ze in elkaar zakte. Haar gekreun had geklonken als een ongepast
gekuch in de rust van een muziekstuk, de lucht geurde naar vuile diesel, en in de zoemende stilte die volgde begon de klamme huid van de vrouw snel droger te worden. Alles in dat
trappenhuis was vederlicht, en als het trappenhuis een man was geweest, dan had hij nu loom glimlachend zijn hoofd afgewend.
En toen werd het licht uit gedaan, niet door iemand, maar door de trap zelf – de trap doofde, roerloos, zijn eigen licht.

Al snel bleek echter dat de ziekenwagen voor mijn neus stopte, om te voorkomen dat ik door het groene licht zou rijden, omdat er nog een tweede ziekenwagen aankwam. Waar ging die
tweede wagen naartoe? Hij was op weg naar een man in een net pak die was uitgegleden over een met vloerbedekking beklede trap – hij brak zijn been en terwijl hij ernaar greep en het
uitschreeuwde, voelde hij achter de pijn een beetje schaamte en nogal wat genot, net zoals ik genoot van die ambulance die voor mijn neus was gestopt en die mijn hart deed bonken en mijn
benen sneller deed trappen toen ik weer door kon fietsen.

Toen ik daarna thuis kwam in dat huis waar de dikke, lauwe geur van bedorven kaas mij bij binnenkomst met stevige hand vastpakte en direct naar mijn eigen kamer duwde, en waar ik meestal
weinig sprak met de gedrongen man met zijn weinige harde haren die als grijze staalwol alle kanten op stonden, en met die ogen, die altijd uitpuilden en tevreden een kant op staarden die niets
met het leven te maken had, maar die zich onafgebroken op mijn richtten als ik hakkelend begon te spreken, waarbij hij, mijn vader, scherp, wegend, dwingend, en vooral, vooral heel erg
liefdevol, en vol leven, naar mij bleef kijken terwijl ik met mijn handen overal naar wees, en zachtjes probeerde uit mijn woorden te komen – toen ik daar thuis kwam, dacht ik er niet aan dat
dat huis ooit mijn grootste vijand was geweest.

De zaterdag daarna besloot ik om een eind te gaan fietsen. Het land naar het oosten kende ik nog niet, maar ik wist dat de frisse, koude lucht van het vlakke land niet ver kon zijn. Ik begon met
trage slagen een tocht langs de huizenblokken in Diemen-Noord, langs het Amsterdam-Rijnkanaal.

Weet je, het fietspad langs dat kanaal is ontzettend lelijk. Aan de ene kant heb je het water met rechte, stalen oevers, en aan de andere kant heb je een constante, trage, ritmische stroom van
huizenblokken met een grasveld er omheen. Terwijl ik er langs fietste, begonnen die huizenblokken te bonzen als een hartslag, en op het ritme van die hartslag fietste ik door, en door, en bij
elk huizenblok kwam er uit mijn eigen, afgedekte diepte meer angst omhoog om de hoeveelheid mensen die hun leven leefden vanuit kleine holtes in die stenen hopen. Na een half uur
onafgebroken langs die flats te hebben gefietst, begonnen ze lager te worden, tot er nog maar één huis stond aan de rand van de weilanden. Ik haalde opgelucht adem en fietste door een land
wat kaal en leeg was, door het Diemerbos dat helemaal geen bos was, maar een moerassig land met lage, ielige bomen. Er was niemand daar behalve ik, en er stond geen wind, en de lucht was
grijs, en niemand gaf iets om dit lelijke land. Dit moet je goed begrijpen: niemand gaf er iets om. En aan de horizon, aan elke verre horizon, zag ik de snelweg, en op die snelwegen stonden
duizenden mensen in de file.

Na die zaterdag heb ik geen moment meer aan mezelf gedacht. Ik heb niet meer gedacht aan mijn verleden, aan mijn jeugd, aan de dingen die ik graag deed, ik heb niet meer gevoeld wat ik
voelde, en ik heb er niet meer over gesproken of geschreven. Ik heb geen tekeningen meer gemaakt, ik heb mijn wens opgegeven om kunstenaar te worden, en ik heb heel veel mensen om mij
heen geobserveerd, terwijl ik op de fiets zat en door de straten van Amsterdam ruiste, die stad die ik eens zo erg haatte en die ik me nu alleen maar liet vullen met reclameteksten, vol jaloezie,
en uit bitter en te snel weggeslikt verdriet.



Meike Legêne

Jankende honden met stinkende wonden
Als je goed luistert, hoor je ze huilen
Zij mogen thuisblijven





Vorige week liep ik over straat. Nacht, koud. Ik woon al jaren in de
stad en nog iedere dag, mis ik het bos. Wanneer mijn gemis sterk is,
loop ik naar buiten, langs hoge flats. Hoe hoger, hoe beter. Verlaten
straten en koud beton; dat is mijn vervangbos. De ramen, waaruit
soms tl-licht knippert, lijken waaiende bladeren. Het maakt mijn
hoofd rustig en kalm.

Maar vorige week, toen ik de koude lucht in mijn longen liet lopen
en de rust wederkeerde, hoorde ik een zacht geluid.


Boem

Boem

Boem

Boem


Een regelmatig, zacht gebonk klinkt door de verlaten straat. Ik voel
me vreemd, plotseling ben ik niet meer alleen. Het geluid vergezeld
mij en mijn in eenzaamheid geboren rust, verdwijnt langzaam.

Opgelaten loop ik verder, ik voel geen angst, maar nieuwsgierigheid,
en mijn benen brengen me steeds dichterbij de bron van het geluid.
Nog steeds heb ik geen idee waar het vandaan komt. Het gebonk is te
dof om van een feestje zijn, het moet hier ergens in de buurt zijn.

Ik loop door, steeds sneller. Terwijl ik loop, neemt het geluid af. Nee,
wacht. Het geluid neemt niet af, het lijkt alsof ik er voorbij loop.
Terug. Een paar stappen terug klinkt het gebonk inderdaad luider. Er
staan een aantal auto’s geparkeerd aan de overkant van de brede
strook asfalt, ik steek over en zie steeds duidelijker hoe een man
achter het stuur zit en met zijn hoofd hard tegen zijn stuur beukt. Ik
klop op het raam, hij kijkt verdwaasd op en opent de autodeur. Zijn
dunne haar piekt een paar kanten op.



‘Meneer, waarom beukt u zo?’

‘Ik wil het er niet over hebben. Komt u later maar terug.’



Ik besluit een rondje om een groot kantorencomplex te maken, maar
na een klein half uur wandelen, brengen mijn benen mij weer richting
de auto met de bonkende man.

Weer klop ik op het raam, en weer opent hij de deur. Ik zie zijn adem
in de koude buitenlucht. Misschien is hij een draak.



‘Door mijn hoofd zwerven honden. Jankende honden, met
stinkende wonden. Ik kan het gehuil niet meer hebben.’



Ik kniel voor hem neer. Een uur geleden regende het nog, en ik voel
hoe het oude regenwater wordt opgezogen door mijn spijkerbroek.
Verbaasd draait de man zich naar mij toe, terwijl ik zijn armen pak.
Zachtjes leg ik zijn linkerhand op mijn borst, de rechter op mijn
voorhoofd en leg vervolgens mijn handen op zijn voorhoofd en borst.
Hij knikt en houdt zijn adem in.

Ik doe mijn ogen dicht en zo ademen we samen. De rust keert terug,
zijn warme handen voelen fijn. Ik vergeet de stoep, de auto en het
asfalt, we ademen samen in het bos. Voor even, vergeet ik de tijd,
totdat ik honden aan de overkant zie staan. Ze staan in een groepje op
mijn hand. Mijn hand, rustend op zijn gerimpelde voorhoofd.
Langzaamaan lopen de honden over mijn hand, mijn arm. Een voor
een steken ze over, tot de man zich wegtrekt. De laatste twee honden
hebben de oversteek niet gehaald. Vragend kijk ik hem aan.

‘Zij mogen thuisblijven.’



Tamar Berends

Vouw me
als origami tot een vorm
waar je naar kunt kijken
Teken me
zet de lijnen
waar jij vindt dat ze horen
Hoor me
de woorden die ontbreken in je leven zeggen
Zeg me
je gedachten
onzorgvuldig uitgekozen
Kies me
uit de schoenen die je favoriet zijn;
ik ben jouw maat!
Laat me
je vergroten
tot ik zelf zo klein ben dat ik op je huid
cellen kan bouwen om in te wonen
Raak me
aan alsof ik een voor blinde mensen
gemaakt gedicht ben
Zie me
veranderen aan mijn binnenkant
schreeuwen onder mijn kleurdichte huid.



Hava Ozbas